Uitsteltermijn afwikkeling pensioen in eigen beheer

Dga’s krijgen onder voorwaarden uiterlijk tot en met 30 juni 2017 de tijd (hierna: de coulancetermijn) om de handelingen te verrichten die samenhangen met:
· a. het premievrij maken van het in eigen beheer opgebouwde pensioen;
· b. het desgewenst terughalen van het elders verzekerde deel van het opgebouwde pensioen naar het eigenbeheerlichaam;
· c. het aanpassen van de pensioenbrief;
· d. de besluitvorming in de algemene vergadering over deze punten.
Het voorgaande betekent dat als niet uiterlijk op 30 juni 2017 aan de voorwaarden van de Wet uitfasering PEB is voldaan, dit alsnog zal leiden tot toepassing van artikel 19b van de Wet LB. Onderhavige besluit voorziet in de termijn tot 30 juni 2017

Zie hier bericht staatscourant

VPB en Wet Pensioen in Eigen Beheer

Tijdens de Tweede Kamerbehandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen is ingegaan op de situatie waarin een eigenbeheerlichaam vóór 20 september 2016 een toegekende pensioenaanspraak heeft verzekerd bij, of een pensioenverplichting heeft overgedragen aan een ander eigenbeheerlichaam (waarbij de betreffende lichamen niet met elkaar zijn gevoegd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting), maar deze verzekering of overdracht en de vorming van de actiefpost voor de kosten en lasten van toekomstige loon- en prijsontwikkelingen niet heeft kunnen verwerken in een aangifte vennootschapsbelasting die uiterlijk op 20 september 2016 is gedaan. Ik heb aangegeven goed te keuren dat onder voorwaarden ook voor dergelijke situaties de in het vierde lid van artikel 34e van de Wet Vpb bedoelde aftrek van deze kosten en lasten wordt toegepast. Dit besluit voorziet hier in.

Zie hier Staatscourant

questions

Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen aangenomen door Eerste Kamer

Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen aangenomen door Eerste Kamer

Dit wetsvoorstel strekt tot de uitfasering van het pensioen in eigen beheer (PEB) voor de directeurgrootaandeelhouder. Het is op 7 maart met algemene stemmen aangenomen door de Eerste Kamer.

De wet zal per 1 januari 2017 in werking treden

Nog even de belangrijkste punten (zie de tekst van het wetsvoorstel zoals door de Eerste Kamer aangenomen);

– vanaf inwerkingtreding wordt pensioen in eigen beheer niet meer fiscaal gefaciliteerd voor de toekomstige opbouw, wijziging art. 19a Wet LB;
– opties zijn: a. in eigen beheer laten, b. verzekeren, c. afkopen , d. omzetten in oudedagsverplichting (zie nieuwe art. 38n Wet LB);
– voor afkoop of omzetting is instemming nodig van de partner en gewezen partner met een aanspraak op pensioen (zie nieuw art. 38n Wet LB);
– er is op gewezen dat ook volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding instemming van de partner voor vermindering van het partnerpensioen eveneens is vereist;
– bij afkoop wordt een percentage van de fiscale balanswaarde op de – te belasten – afkoopsom in mindering gebracht van aanvankelijk 34,5%. In 2018 wordt dit percentage 25% en in 2019 19,5% (art. 38o nieuw Wet LB);
– overdracht van verzekerde aanspraken naar eigen beheer is ook niet meer mogelijk, met dien verstande dat hiervoor een respijttermijn geldt van 3 maanden die begint op de dag van inwerkingtreding. (art. IIIA wetsvoorstel).
De behandeling in de Eerste Kamer was in december 2016 aangehouden in verband het gebruik van de mogelijkheden om de (toekomstige) indexatie van de opgebouwde pensioenaanspraken op het moment van afkoop of omzetting ten laste van de fiscale winst te brengen. Dat was niet de bedoeling. Na onderzoek heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat die mogelijkheden niet bestaan: “Het onderzoek heeft uitgewezen dat de mogelijkheid om de (toekomstige) indexatie van de opgebouwde pensioenaanspraken op het moment van afkoop of omzetting ten laste van de fiscale winst te brengen, niet bestaat. De budgettaire derving zal zich dan ook niet voordoen”. Artikel 34e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voorkomt dat de kosten en lasten van de toekomstige indexatie op het moment van afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting ten laste van de fiscale winst kunnen worden gebracht

Reparatiewetgeving was niet nodig. Zie voor een nadere toelichting het verslag van het schriftelijk overleg met de Eerste Kamer van 25 januari 2017.

In de novelle is toch een wijziging aangebracht. Deze houdt verband met de omstandigheid dat volgens het wetsvoorstel kosten en lasten die samenhangen met een in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraak en die als gevolg van de uit artikel 8, eerste lid, van de Wet Vpb 1969 voortvloeiende toepassing van de artikelen 3.26, 3.27 en 3.28 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) nog niet bij de bepaling van de winst in aanmerking zijn genomen voor altijd van aftrek zouden zijn uitgesloten. Het gaat hierbij om situaties waarbij ter zake van de toekomstige indexatie een transitorische actiefpost is gevormd. Abstraherend van genoemd artikel 34e, derde lid, van de Wet Vpb 1969 zou gebruikmaking van de in artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964 opgenomen mogelijkheid van afkoop of omzetting in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting tot gevolg hebben dat het vrijvallen van de hiervoor bedoelde actiefpost ineens ten laste van het resultaat zou kunnen worden gebracht. Met genoemd artikel 34e, derde lid, aanhef en onderdeel a, wordt dit voorkomen, maar wordt zoals gezegd tevens bewerkstelligd dat de betreffende kosten en lasten ook in de toekomst niet meer ten laste van de winst kunnen worden gebracht. Omdat dit naar het oordeel van het kabinet tot een onredelijke uitkomst zou leiden, wordt met de voorgestelde toevoeging van een vierde lid aan genoemd artikel 34e geregeld dat de betreffende kosten en lasten na het tijdstip waarop ter zake van de betreffende aanspraak artikel 38n, tweede lid, van de Wet LB 1964 is toegepast in afwijking van het derde lid van genoemd artikel 34e toch ten laste van de winst kunnen worden gebracht. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de aanspraak wordt afgekocht als bedoeld in artikel 38n, tweede lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964 en de situatie waarin de aanspraak wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in artikel 38n, tweede lid, onderdeel b, van de Wet LB 1964. In de situatie van afkoop mogen de genoemde kosten en lasten op grond van de voorgestelde wijziging bij de bepaling van de winst integraal in aanmerking worden genomen op het moment van afkoop, zijnde het moment waarop ook de heffing van loonbelasting over de aanspraak verschuldigd wordt.

In de brief van 10 februari 2017 is de staatssecretaris nog ingegaan op het bepaalde en onbepaalde bij een verzekeraar verzekerde pensioen. In die brief verduidelijkt de staatssecretaris dat
geen aanpassing van de overeenkomst met de professionele verzekeringsmaatschappij nodig is. Wel moet de pensioentoezegging van de bv aan de dga zodanig worden aangepast dat de dga alleen nog verder pensioen opbouwt bij de professionele verzekeraar en niet meer bij het eigenbeheerlichaam. Dat geldt eveneens in situaties waarin niet sprake is van een onbepaald elders verzekerd deel, maar van een bepaald elders verzekerd deel. Ook moet de inhoud van de pensioenregeling zodanig worden aangepast dat geen overgang van de elders verzekerde pensioenaanspraak naar een eigenbeheerlichaam meer kan plaatsvinden.

Documenten:

– tekst wetsvoorstel zoals aangenomen door Eerste Kamer:
– tekst novelle
– brief inzake uitstel behandeling in Eerste Kamer
– verslag schriftelijk overleg met Eerste Kamer van 25 januari 2017
– brief inzake onbepaald verzekerd deel

hoed

Actuele rechtspraak februari 2017

 

GEDIFFERENTIEERD KORTEN DOOR PENSIOENFONDS MAG

Hof Amsterdam 14 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:550
Het fonds verkeerde in onderdekking en moest korten. Daarbij maakte het fonds onderscheid tussen werknemers van wie de werkgever een extra bijstorting had gedaan om korting te verminderen en werknemers van wie de werkgevers geen of een kleinere storting hadden gedaan. De laatste werknemers kregen een grotere korting. Het hof acht dit niet in strijd met de regels over korting, art. 134 Pensioenwet, niet in strijd met het verbod van ringfencing, art. 123 Pensioenwet, en niet onevenwichtig, art. 105 Pensioenwet.


 

VALT DETACHERINGSBUREAU ONDER STIPP? Hof beantwoordt vraag bevestigend
Hof Amsterdam 13 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5367
Appel van ECLI:NL:RBAMS:2015:886. Anders dan de eerste rechter oordeelde, valt het detacheringsbureau wél onder de verplichtstelling van STiPP. Alsnog toewijzing pensioenpremievordering.


 

PENSIOENGELD MAG BESTEED WORDEN VOOR VPL FINANCIERING

CBB 15 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:58
De vorming van reserves door het Pensioenfonds met het oog op de financiering van toekomstige pensioenaanspraken (VPL-toezeggingen) is niet in strijd met artikelen 105, 129 en 143 van de Pensioenwet
Weer erkent het CBB dat het pensioenfonds beleidsvrijheid toekomst bij invulling van de open norm (zoals bij de goudbelegging, toen ging het om prudent person, thans om evenwichtig). Dat het VO heeft ingestemd is een belangrijke factor dat er evenwichtig is gehandeld. De onttrekking van vermogen voor de financiering van voorwaardelijk pensioen is geen (indirecte) premiekorting, zoals DNB had betoogd, en dat in 2005 de overeenkomst over uitvoering niet op schrift is gesteld is niet onevenwichtige bedrijfsvoering, nu DNB pas in 2012 een schriftelijke overeenkomst is gaan eisen.


 

 

PERSOONLIJKE AANSPRAKELIJKHEID BESTUURDER VOOR NIET BETAALDE PREMIES EX 23 WET BPF 2000

Hof Den Haag 14 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:197
De uitspraak volgt de lijn dat algemene mededeling niet voldoende zijn. Niet voldoende als rechtsgeldige mededeling van betalingsonmacht is de enkele mededeling dat geen rekening is gehouden met de premies en dit tot deconfiture zal leiden, omdat dit onvoldoende onderbouwing is van de reden waarom niet wordt betaald. Niet voldoende disculpatie is de argumentatie dat de premie niet was verdisconteerd in de tarieven en aldus geen verwijt van niet betalen zou zijn te maken.


 

 

VERBODEN LEEFTIJDONDERSCHEID BIJ ONTSLAGVERGOEDINGEN IN SOCIAAL PLAN

Rechtbank Amsterdam 8 februari 2017,ECLI:NL:RBAMS:2017:906
De procederende werknemer die met de aftopping te maken krijgt ontvangt dus een lagere vergoeding dan een werknemer die die aftopping niet krijgt (dat zijn de jongere werknemers bijgevolg) en bovendien is de link met de vroegpensioenleeftijd een vorm van verboden leeftijdonderscheid. Hier voor acht de rechtbank geen rechtvaardiging te meer daar de werknemer helemaal niet met vroegpensioen wilde maar wilde doorwerken tot AOW en dus is er benadeling van werknemers die op de arbeidsmarkt actief willen blijven. De link met eerdere uitspraken waar een aftopping voor werknemers die werkelijk met pensioen gingen toelaatbaar is bevonden, gaat niet op.


 

 

CONSERVERENDE AANSLAG BIJ EMIGRATIE NAAR ZWEDEN TERECHT OPGELEGD OMDAT DE MOGELIJKHEID BESTAAT DAT NEDERLAND NIET KAN HEFFEN

Hof Den Bosch 18 november 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5157
Artikel 18 Verdrag Nederland-Zweden, artikel 3.83, lid 1, Wet IB 2001. Conserverende aanslag ingevolge artikel 3.83, lid 1, Wet IB 2001 niet in strijd met de goede trouw die geldt bij de toepassing en uitleg van het Verdrag, vgl. arrest BNB 2011/160. Conserverende aanslag en beschikking revisierente, na de ambtshalve vermindering van de Inspecteur, niet te hoog vastgesteld.


 

 

AANKONDIGING VAN PREJUDICIËLE VRAAG AAN DE HOGE RAAD OF HET ONTHOUDEN VAN DE TRANSITIEVERGOEDING BIJ OF NA DE PENSIOENLEEFTIJD GEEN VERBODEN LEEFTIJDONDERSCHEID IS

Hof Den Bosch 2 februari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:345
Eerst aanleg:
Geen recht op transitievergoeding want arbeidsovereenkomst is opgezegd na de AOW leeftijd
Rechtbank Limburg 30 juni 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:5418